Font Size

SCREEN

Profile

Layout

Menu Style

Cpanel

Vastgoedbelasting

Deze belasting is ingevoerd ter compensatie van afschaf van de WB
   - Tarief: 15% van het voordeel uit onroerende goederen. Het voordeel uit onroerend  goed bedraagt forfaitair 4% van de waarde van de onroerende zaak . Dit betekent dat de jaarlijks te betalen belasting neer zal komen op 0,6 % van de (economische) waarde van het in eigendom zijnde vastgoed. De waarde wordt door de Inspecteur der Belastingen vastgesteld ( zelfde heffing als grondbelasting).
   -  Vastgoedbelasting wordt in principe geheven bij eigenaren van bedrijfsvastgoed en niet ingezetenen die één of meerdere (tweede) huizen bezitten. Deze belasting is niet verrekenbaar met ander belastingen en is een eindheffing.

Eigen woning en indien het pand behoort tot het ondernemingsvermogen van een IB onderneming zijn vrijgesteld van deze heffing. Dit geldt ook voor andere expliciet door de wet aangewezen werken.

Opbrengstbelasting

Deze belastingsoort is eveneens ingevoerd ter compensatie van afschaffing WB De belasting wordt geheven naar de opbrengst alsmede niet in geld genoten opbrengsten.

Opbrengsten omvat meer dan alleen dividenduitkeringen (alle vermogensuitkeringen door lichamen boven hetgeen als nominaal kapitaal is gestort is belastbaar op het moment dat de opbrengst het lichaam verlaat). Ondermeer winsten, opbrengsten aandelen, rente op obligaties of andere schuldvorderingen.
Uitkeringen door coöperaties, stichtingen, verenigingen en SPF’s zijn eveneens belastbaar.
Tarief belasting: 5% van de opbrengst.

 


De Memorie van Toelichting licht de belasting als volgt toe:

 

De Landsverordening op de dividendbelasting 2000 wordt als basis genomen voor de opbrengstbelasting en omgezet in hoofdstuk V van dit wetsvoorstel, waardoor vanaf het moment van ingang van de nieuwe staatkundige verhoudingen op de BES eilanden een belasting op onder meer dividenden zal worden geheven. Op dit moment kent de Nederlandse Antillen weliswaar formeel een dividendbelasting maar deze is nooit in werking getreden. De opbrengstbelasting is echter ruimer dan de dividendbelasting. Naast dat de uitkering van winst door in de openbare lichamen Bonaire, Sint Eustatius of Saba gevestigde lichamen aan zijn aandeelhouders wordt belast, vallen ook betalingen van onder andere stichtingen (waaronder de zogenoemde Stichtingen Particulier Fonds) onder het bereik van de opbrengstbelasting. De ontvanger van het dividend of de betaling (hierna: opbrengst) is belastingplichtige en het lichaam is de inhoudingsplichtige. Over de opbrengst wordt in beginsel ongeacht de woonplaats van de aandeelhouder, 5% belasting ingehouden. Ook kent de opbrengstbelasting – net als de Nederlandse dividendbelasting – een inhoudingsvrijstelling voor dividenden die worden uitgekeerd aan op de BES eilanden gevestigde moedermaatschappijen. De opbrengstbelasting is een voorheffing voor op de BES eilanden woonachtige natuurlijke personen. 
Voor alle andere ontvangers is de opbrengstbelasting niet verrekenbaar. 
 
De belangrijkste afwijkingen van de opbrengstbelasting ten opzichte van de dividendbelasting zoals was neergelegd in de Landsverordening op de dividendbelasting 2000 zijn: 
1) de vestigingsplaatsfictie; 
2) de inhoudingsvrijstelling voor zover de ontvanger van het dividend niet is gevestigd op de BES eilanden;  
3)  de behandeling van coöperaties, vereniging, stichtingen en open fondsen voor gemene rekening. 
 
Vestigingsplaatsfictie 
Het feit dat geen traditionele winstbelasting op BES zal worden geheven brengt mogelijk met zich dat personen van buiten de BES eilanden daar op niet wenselijke wijze gebruik van willen maken. Zij zouden door het overhevelen van winsten de belastinggrondslag in hun (voormalige) woonstaat fors kunnen eroderen. De dringende wens bestaat om het kunstmatig overhevelen van winst te voorkomen door in de belastingwetten voor de BES eilanden adequate maatregelen op te nemen. Daarbij kan worden opgemerkt dat Nederland er veel aan is gelegen om – onder verwijzing naar dergelijke adequate antimisbruikregels – kritiek, zowel van binnen het Koninkrijk als in internationaal verband, te voorkomen op de nieuwe eenvoudigere regelgeving voor de BES eilanden. Om die reden is een fictie in de voorgestelde wettekst opgenomen. Deze antimisbruikregel is een nieuw element en is derhalve niet vergelijkbaar met een bestaande Nederlands-Antilliaanse bepaling. Deze bepaling is internationaal niet helemaal uniek. Ook Noorwegen kent in relatie met de eilandengroep Spitsbergen in grote lijnen dezelfde systematiek. Desalniettemin kent de Noorse regeling een aanzienlijke discretionaire bevoegdheid toe aan de inspecteur, terwijl in Nederland objectief toetsbare grenzen zijn opgenomen. 
 
Deze fictie regelt, kort samengevat, dat lichamen die op de BES eilanden niet voldoende actief zijn, ondanks hun feitelijke vestiging aldaar, voor de toepassing van de belastingwetten naar het in Europa gelegen deel van Nederland worden gehaald. Dat betekent dat op die ‘BES lichamen’ de Nederlandse vennootschapsbelasting en dividendbelasting van toepassing zijn (en dus niet de vastgoedbelasting en de opbrengstbelasting). De invulling van deze fictie is enerzijds opgenomen in art. 5.2 van de Belastingwet BES en zal anderzijds ondersteund worden door enkele nieuwe regels in de Wet op de vennootschapsbelasting 1969 en de Wet op de dividendbelasting 1965. Die laatstgenoemde regels worden aangepast door middel van de Invoeringswet fiscaal stelsel BES. 
 
De fictie is in hoofdlijnen als volgt vormgegeven. In eerste instantie worden letterlijk alle op de BES eilanden gevestigde lichamen voor de toepassing van de opbrengstbelasting geacht in Nederland te zijn gevestigd. Vervolgens is geregeld dat de inspecteur per lichaam bij voor bezwaar vatbare beschikking kan bevestigen dat een lichaam (toch) voor fiscale doeleinden op de BES eilanden zit en dus valt onder de opbrengstbelasting en de vastgoedbelasting. Een feitelijk op de BES eilanden gevestigd lichaam dat voor 50% of meer activa bezit die passen bij een zichtbare actieve onderneming valt altijd onder het volledige fiscale stelsel voor de BES eilanden. Een lichaam daarentegen dat voor meer dan 50% specifiek opgesomde internationaal mobiele activa bezit, die in zijn algemeenheid onder omstandigheden weinig werk met zich hoeven te brengen, wordt in beginsel onder de vennootschapsbelasting en dividendbelasting gebracht. Een dergelijk lichaam kan echter toch nog onder de het volledige fiscale stelsel voor de BES eilanden blijven als aan twee voorwaarden is voldaan. Die komen er in hoofdlijnen op neer dat het lichaam over drie personeelsleden moet beschikken die op wezenlijk niveau de genoemde activa (beleggingen, deelnemingen, liquiditeiten, ter beschikking gestelde goederen, leningen) beheren en dat bedrijfsruimte op de BES eilanden door dat lichaam wordt gebruikt voor die werkzaamheden. Een door de inspecteur afgegeven beschikking dat een lichaam op de BES eilanden zit, vervalt als niet langer aan de voorwaarden wordt voldaan die in het artikel zijn opgenomen. Mede doordat tijdelijk niet voldoen aan de bezittingen- of personeelseis niet altijd tot ‘niet kwalificeren’ hoeft te leiden – er moet immers “doorgaans” aan de toetsen worden voldaan – kan het in voorkomende gevallen praktisch zijn dat inspecteur en belastingplichtige vaststellen dat bijvoorbeeld per 1 januari van enig jaar de vestigingsplaats van het lichaam wijzigt. 
 
Ieder lichaam dat geen beschikking kan overleggen 1) zoals hiervoor bedoeld, 2) dat het lichaam is toegelaten tot een handels- en dienstenentrepot als bedoeld in hoofdstuk V van de Douane- en Accijnswet BES of 3) dat het lichaam een kwalificerende (tussen)houdstermaatschappij is van een lichaam dat een beschikking heeft op grond van de onder 1) of 2) genoemde situaties, wordt in de heffing van de Nederlandse vennootschapsbelasting en dividendbelasting betrokken. Uiteindelijk worden door deze antimisbruikregeling met name kasgeldvennootschappen, (passieve) beleggingsvennootschappen, doorstroomlichamen en lichamen die niet of nauwelijks investeren in de ontwikkeling van reëel ondernemerschap op de BES eilanden geacht in Nederland te zijn gevestigd. 
Op deze manier wordt reëel ondernemerschap op de BES eilanden gestimuleerd terwijl vluchtige activiteiten zonder economische binding met de BES eilanden worden ontmoedigd. 
 
Ten slotte wordt opgemerkt dat een op basis van artikel 5.2 van de Belastingwet BES in Nederland gevestigd lichaam – ook voor wat betreft het rendement op de in de BES eilanden gelegen onroerende zaak – in de heffing van de Nederlandse vennootschapsbelasting wordt betrokken. Een dergelijk lichaam is geen vastgoedbelasting verschuldigd. In de Belastingregeling voor het land Nederland (BRN) wordt bepaald dat over inkomsten uit onroerende zaken in beginsel belasting wordt 
geheven in het heffingsgebied waar de onroerende zaak is gelegen (de BES eilanden of Nederland). 
Op deze hoofdregel wordt een uitzondering gemaakt voor onroerende zaken die in bezit zijn van lichamen die op basis van artikel 5.2 van de Belastingwet BES in Nederland worden geacht te zijn gevestigd. Voor deze onroerende zaken wordt de heffingsbevoegdheid toegewezen aan Nederland. 
Hierdoor vindt geen cumulatie van heffing plaats. 
 
Voor andere lichamen die in Nederland zijn gevestigd met een onroerende zaak in de BES eilanden geldt dat de vastgoedbelasting wel van toepassing is, zodat over de onroerende zaak in de BES eilanden vastgoedbelasting is verschuldigd. Ook Nederland zal in beginsel de inkomsten uit de op de BES eilanden gelegen onroerende zaak in de heffing van de Nederlandse vennootschapsbelasting betrekken. Immers, in Nederland wordt de wereldwinst van het lichaam belast. Echter, in de BRN zal worden bepaald dat Nederland een aftrek ter voorkoming van dubbele belasting zal verlenen door de onroerende zaak in de BES eilanden (zijnde de grondslag voor de vastgoedbelasting) – vrij te stellen door een vermindering van de door het lichaam verschuldigde vennootschapsbelasting toe te staan (vrijstellingsmethode). 
 
Inhoudingsvrijstelling in internationaal verband 
Op dit moment bevat de nog niet in werking getreden Nederlands-Antilliaanse Landsverordening dividendbelasting 2000 een inhoudingsvrijstelling voor alle uitgaande dividenden zolang de buitenlandse moedermaatschappij maar voor tenminste 25% deelneemt in de op de BES eilanden gevestigde vennootschap. Deze regeling is erg ruim, vooral nu wordt voorgesteld de heffing van winstbelasting op de BES eilanden achterwege te laten. Zonder aanvullende maatregelen zou dit – ondanks de vestigingsplaatsfictie – kunnen leiden tot onbelaste doorstroom van winsten van reëel bedrijfsleven naar welke jurisdictie dan ook. In verband hiermee wordt voorgesteld deze inhoudingsvrijstelling te verstrakken en wel zodanig dat niet meer wordt voorzien in een inhoudingsvrijstelling voor uitgaande dividenden voor zover de ontvangende vennootschap niet op de BES eilanden is gevestigd tenzij de vennootschap is gevestigd in een Mogendheid, of in een land in het Koninkrijk, waarmee in bilaterale verhoudingen een inhoudingsvrijstelling is overeengekomen. In dit kader kan bijvoorbeeld worden gedacht aan landen waarmee het Koninkrijk der Nederlanden voor de toepassing van de BES eilanden of het (na de staatkundige herziening) voormalige land Nederlandse Antillen een belastingverdrag heeft afgesloten.  
 
Coöperaties, stichtingen, verenigingen en open fondsen voor gemene rekening 
Ook coöperaties, stichtingen, verenigingen en open fondsen voor gemene rekening die aan de voorwaarden voldoen kunnen onder de opbrengstbelasting vallen. Deze lichamen worden voor de heffing van de belasting daarmee zoveel mogelijk gelijk behandeld als vennootschappen. De opbrengstbelasting kan dan ook niet worden omzeild door het tussenschuiven van een op de BES eilanden gevestigde coöperatie, stichting, vereniging of SPF (of ander doelvermogen). Iedere uitkering van voornoemde lichamen wordt aangemerkt als een opbrengst in de zin van deze heffing, te meer daar de inbreng in deze lichamen vanwege het achterwege laten van de successiebelasting op de BES eilanden belastingvrij kan geschieden en het rendement op de inbreng vanwege het achterwege laten van de winstbelasting onbelast is. Hierdoor wordt iedere uitkering dan ook in beginsel getroffen door een heffing van 5%. Een uitzondering op deze hoofdregel is de uitdeling van een stichting of een doelvermogen aan goede doelen. Uitkeringen door deze lichamen aan goede doelen zijn onder voorwaarden vrijgesteld van opbrengstbelasting. 

Algemene bestedingsbelasting

De ABB vervangt de bestaande OB en BBO en bestaat uit drie delen:
1.heffing over goederen bij invoer
2.heffing over (binnenlandse) levering bij diensten
3.heffing over leveringen bij lokaal geproduceerde goederen
Voordelen van de ABB zijn eenvoud, nagenoeg eliminering van cumulatie en neutraliteit bij heffing ( heffing ABB bij zowel ondernemers als niet-ondernemers)
Tarieven ABB:
    - Algemeen tarief van 8,5%
    - Verzekeringen 10%
    - Auto’s die zeer zuinig zijn 0%
    - Auto’s die niet zuinig zijn 40%
    - 0% voor bij wet aangewezen goederen (vrije zone, export etc) en vrijstellingen (eerste levensbehoeften, medische diensten en goederen, levens -ziektekosten en herverzekeringen etc etc)
Voor de goede orde dient benadrukt te worden dat in het algemeen tarief van 8,5% invoerrechten zijn verdisconteerd. Immers voor invoerrechten wordt een 0% tarief gehanteerd.
De ABB kent geen factuur verplichting, wel een regeling voor kleine ondernemers en aftrek van voorbelasting ( voor producenten lokaal vervaardigde goederen)


De Memorie van Toelichting licht de belasting als volgt toe: 

Algemene bestedingsbelasting 
In hoofdstuk VI van dit voorstel van wet is de algemene bestedingsbelasting opgenomen. Deze geldt ter vervanging van de op Bonaire geldende Landsverordening omzetbelasting 1999 (hierna: OB) en de op Saba en Sint Eustatius geldende Landsverordening belasting op bedrijfsomzetten 1997 (hierna: BBO). De grootste vereenvoudiging die met de algemene bestedingsbelasting wordt beoogd, is dat de heffing – anders dan bij de huidige omzetbelasting en de belasting op bedrijfsomzetten – voor de lokale levering van goederen grotendeels is ontdaan van haar cumulatieve karakter. Hierdoor vindt voor goederen een eenmalige heffing van algemene bestedingsbelasting plaats bij invoer (ingeval het een ingevoerd goed betreft) ofwel, voor zover sprake is van lokale productie, bij de levering van het goed door de lokale producent. De detailhandel is daarmee verlost van administratieve lasten uit hoofde van omzetbelasting of belasting op bedrijfsomzetten. Diensten worden belast op het moment van de (lokale) verrichting van de dienst. Voor diensten kan wel enige mate van cumulatie van heffing optreden (denk aan restaurantdiensten). 
 
Omzetbelastingen Nederlandse Antillen 
Op de Nederlandse Antillen functioneren sinds de jaren negentig van de vorige eeuw twee omzetbelastingstelsels. Op Curaçao en Bonaire is de OB van toepassing en op Sint Maarten, Sint Eustatius en Saba de BBO. 
 
Zoals blijkt uit de toelichtingen bij deze belastingen zijn zowel de OB als de BBO “een indirecte belasting, een omzetbelasting met het karakter van een verbruiksbelasting die de “voortstuwing” van goederen en diensten op hun weg van producent naar consument belast en die beoogt het consumptieve verbruik van goederen en diensten in de heffing te betrekken”. Het rechtskarakter van beide heffingen is identiek en beide betreffen een heffing ter zake van het leveren van goederen en het verlenen van diensten. Beide belastingen hebben grotendeels het karakter van een cumulatieve cascadeheffing. 
 
Vergelijkende analyse 
Uit een nadere vergelijkende analyse van de materiële heffingsbepalingen van de OB en de BBO blijkt dat de overeenkomsten tussen beide heffingen groter zijn dan de verschillen, zij het dat de BBO geen heffing ter zake van invoer kent. De begripsbepalingen en de heffingsbepalingen zijn vrijwel identiek en ook de vrijstellingen zijn gelijkluidend. Een optisch verschil bestaat ten aanzien van de maatstaf van heffing. Waar in de OB de belasting wordt berekend over de individuele vergoeding die een ondernemer ontvangt ter zake van het verrichten van leveringen van goederen of van diensten, wordt in de BBO de totale bedrijfsomzet van een ondernemer als maatstaf van heffing genoemd. Deze bedrijfomzet is feitelijk niets meer dan het totaal van de individuele vergoedingen. Het materiële resultaat is, afgezien van tariefverschillen, in grote lijnen gelijk. 

Voorbeeld 
Bonaire 
Ondernemer A is gevestigd op Bonaire en verkoopt goederen voor een vast bedrag van NAFL 10, exclusief omzetbelasting. In een tijdvak (stel: 3 maanden) verkoopt A 3.000 exemplaren. Aan het begin van dit tijdvak heeft A daarnaast 2.000 goederen ingevoerd voor NAFL 8 per stuk en heeft direct NAFL 800 aan omzetbelasting moeten afrekenen (te weten 5% van de waarde van de ingevoerde goederen). A doet in het onderhavige kwartaal de navolgende aangifte omzetbelasting: 
 
Totaal verschuldigde omzetbelasting 5% van NAFL 10*3.000     NAFL 1.500 
Verminderd met de in dat kwartaal ter zake van invoer verschuldigde bedrag  aan invoer (maximaal het ter zake van de verkoop verschuldigde bedrag)      NAFL    800 
Per saldo af te dragen OB over tijdvak                      NAFL    700 
 
A is over de bedrijfsomzet in dit tijdvak in totaal NAFL 1.500 aan omzetbelasting verschuldigd, namelijk NAFL 800 bij invoer en NAFL 700 vanwege de verkoop.  
 
Sint Eustatius en Saba 
Ondernemer B is gevestigd op Sint Eustatius en verkoopt goederen voor een vast bedrag van NAFL 10, inclusief BBO. In een tijdvak (stel: 3 maanden) verkoopt A 3.000 exemplaren. Aan het begin van dit tijdvak heeft B 5.000 goederen ingevoerd voor NAFL 8 per stuk. Bij invoer is geen BBO verschuldigd. A doet in het onderhavige kwartaal de navolgende aangifte BBO: 
  
Totaal verschuldigde BBO over bedrijfsomzet (stel 5%) over een bedrijfsomzet van NAFL 10*3.000 = NAFL 30.000 (afgerond op hele NAFL’s )      NAFL 1.428 
Verminderd met de reeds betaalde BBO bij invoer    nihil 
Af te dragen BBO over tijdvak       NAFL 1.428 
 
Uit bovenstaande voorbeeld blijkt dat – bij gelijke tarieven en afgezien van directe invoer door niet ondernemers – uiteindelijk een nagenoeg gelijke druk aan OB of BBO bestaat op de verkopen van goederen en diensten gedurende een (gelijk) tijdvak. Met dien verstande dat door de heffing bij invoer op Bonaire sprake zou kunnen zijn van voorfinanciering van de omzetbelasting, waardoor ondernemers op Sint Eustatius en Saba een financieringsvoordeel zouden hebben ten opzichte van ondernemers op Bonaire. Echter, voor ondernemers in handelsgoederen bestaat in de OB tevens de mogelijkheid van een vrijstelling van de heffing ter zake van invoer. In dat geval vervalt ook dit financieringsnadeel en wordt een vrijwel gelijkwaardige positie voor ondernemers op Bonaire, ten opzichte van ondernemers op Sint Eustatius en Saba bereikt. Daarnaast kent de OB in tegenstelling tot de BBO een ‘kleine ondernemers’-regeling. Deze laatste regeling heeft tot gevolg dat een 
ondernemer met een bescheiden omzet kan worden ontheven van de op hem rustende OB-verplichtingen. 
 
Het meest in het oog springende verschil tussen de OB en de BBO is het tariefverschil. Het thans geldende OB tarief is 5%, terwijl de BBO een tarief van 3% kent. In de memorie van toelichting bij invoering van de BBO is gesteld dat de tariefstelling voor de BBO tot gevolg heeft dat de druk voor ondernemers op de Bovenwindse eilanden gelijk is aan de druk die ondernemers op de Benedenwindse eilanden ervaren als gevolg van de daar geldende omzetbelasting. Een ander belangrijk verschil is dat in de BBO de belasting deel uitmaakt van de vergoeding, terwijl dat in de OB niet het geval is. In het voorgaande voorbeeld blijkt dat duidelijk. De verschuldigde OB wordt berekend over de individuele vergoeding (Hierdoor is 5% over 10 verschuldigd, waardoor 0,50 OB is verschuldigd over het verkochte goed), terwijl in de BBO de belasting al zit besloten in de verkoopprijs van 10 (In de verkoopprijs zit de BBO van (stel) 5% reeds besloten. De prijs van het verkochte goed exclusief BBO bedroeg dan ook: 10/1,05= 9,53. De BBO over dit goed bedraagt dan ook 10 -/- 9,53 = 0,47 ). 
 
De nieuwe situatie 
Vanwege het feit dat de OB en de BBO grote overeenkomsten vertonen, worden zij in dit wetsvoorstel – met toepassing van de eerder genoemde vereenvoudigingslag – opgenomen in één geïntegreerde nieuwe regeling. Als gevolg hiervan wordt vanaf het moment van ingang van de nieuwe staatkundige verhoudingen op de BES eilanden geen OB of BBO meer geheven, maar enkel nog een samengevoegde belasting: de algemene bestedingsbelasting. Er bestaat geen verschil tussen de algemene bestedingsbelasting die op Bonaire zal worden geheven enerzijds en de algemene bestedingsbelasting die op Sint Eustatius en Saba zal worden geheven anderzijds. Deze eenvoudige algemene bestedingsbelasting valt uiteen in drie delen, te weten: 1) de heffing over goederen bij invoer; 2) de heffing over de (binnenlandse) levering van diensten en 3) de heffing over de leveringen van lokaal geproduceerde goederen. 
 
De algemene bestedingsbelasting is vanwege de uitvoerbaarheid en met het oog op de administratieve lasten voor de ondernemers op de BES eilanden daar waar mogelijk geënt op de bestaande OB en BBO-wetgeving. Daarnaast is bij de vormgeving van de belasting getracht verdere vereenvoudiging te bereiken, waardoor een belasting is ontstaan die de lokale detailhandel ontziet (omdat deze niet in de heffing wordt betrokken), een relatief gematigd tarief kent, de lokale productie van goederen niet benadeelt en die van te exporteren diensten ondersteunt en door haar eenvoud beter uitvoerbaar is dan de bestaande OB en BBO. Voorts kent de algemene bestedingsbelasting – in het spoor van de OB – een beperkt recht op aftrek van voorbelasting. Dit recht geldt alleen voor producenten die de door hen vervaardigde producten lokaal afzetten of exporteren. 
 
Voor Sint Eustatius en Saba geldt dat de huidige BBO een tarief van 3% kent (tegen een OB tarief op Bonaire van 5%), zonder dat BBO ter zake van invoer wordt geheven. De nieuwe algemene bestedingsbelasting voorziet wel in een heffing bij invoer. Daarom is er voor gekozen het algemene tarief van de algemene bestedingsbelasting van 8% vooralsnog voor de Bovenwindse eilanden tijdelijk – de eerste vijf jaren na inwerkingtreding van de Belastingwet BES – op 6% te stellen. Deze tariefsverlaging voor Sint Eustatius en Saba wordt mede ingegeven door het feit dat de in de Douane-en Accijnswet BES voorziene op nihil stelling van de invoerrechten op deze eilanden geen effect hebben (de invoerrechten zijn al nihil), terwijl dat op Bonaire wel een positief effect heeft. Hierdoor zal het algemene tarief van 8% de eerste vijf jaren alleen op Bonaire gelden. 
De algemene formele bepalingen en die ter zake van invordering zoals die in de OB en de BBO zijn opgenomen, zijn zoveel mogelijk van het materiële recht losgekoppeld en opgenomen in hoofdstuk VIII van dit wetsvoorstel.  
 
In het navolgende wordt achtereenvolgens ingegaan op de belangrijkste keuzes die zijn gemaakt bij de opstelling van de algemene bestedingsbelasting. Het betreft het ontbreken van de factuurplicht, de regeling voor kleine ondernemers, de heffing van algemene bestedingsbelasting bij invoer, de eenvormigheid van het tarief en de algemene bestedingsbelasting in relatie tot motorvoertuigen. 
 
Geen factuurverplichting 
Een belangrijke wijziging ten opzichte van de bestaande situatie is dat de algemene bestedingsbelasting in hoofdlijn uitgaat van het kasstelsel. De heffing over de binnenlandse levering van diensten kent geen factuurplicht (voor de heffing van algemene bestedingsbelasting bij invoer speelt de factuurplicht als zodanig geen rol). Er is meer sprake van een kasstelsel plus. Bij de levering van diensten behoeft de ondernemer op Bonaire, Sint Eustatius of Saba de belasting niet op zijn rekening of kassabon te vermelden. Dit geldt uiteraard ook voor de detailhandel. De levering van goederen door een ondernemer die niet als producent kan worden aangemerkt valt buiten de heffing. 
Er is alleen voor producenten een verplichting een factuur uit te reiken als een afnemende ondernemer c.q. producent daarom verzoekt. Dat heeft te maken met de aftrekmogelijkheid voor producenten en daarmee ook met de belangen van lokale op export gerichte producenten. De dienstensector echter, de detailhandel zoals ook de winkels die zich richten op toeristen hoeven de algemene bestedingsbelasting dus niet op hun rekening of kassabon te vermelden. Hierdoor wordt in grote lijnen aangesloten bij het thans geldende systeem in de BBO en het in de OB voor veel ondernemers ook wel toegestane kasstelsel. 
 
Regeling voor kleine ondernemers 
De in de OB opgenomen ‘kleine ondernemers’- regeling is grotendeels in de nieuwe algemene bestedingsbelasting overgenomen. Deze regeling waarbij kleine ondernemers van de belasting kunnen worden ontheven zal derhalve ook gaan gelden in de openbare lichamen Sint Eustatius en Saba. Tevens ontstaat hierdoor een stimulans voor startende ondernemers. 
 
Heffing ter zake van invoer 
De heffing ter zake van invoer van goederen heeft tot gevolg dat goederen op het moment van invoer in de heffing van de algemene bestedingsbelasting worden betrokken. Dit zal veelal voor de meeste goederen het enige moment van heffing zijn, waardoor het nadeel van cumulatie in vervolg schakels dat nu aan de OB en BBO kleeft grotendeels kan worden weggenomen. Door de heffing bij invoer worden in het ‘buitenland’ geproduceerde goederen – ongeacht door wie het goed wordt ingevoerd (een ondernemer of een niet-ondernemer) – met eenzelfde ‘algemene bestedings’-druk geconfronteerd als in het openbare lichaam zelf geproduceerde goederen (die door middel van de ‘producentenheffing’ in de algemene bestedingsbelasting zijn betrokken). Hiermee is de neutraliteit van de heffing gewaarborgd en vindt er geen concurrentieverstoring ten nadele van de ‘binnenlandse’ productie plaats. Zonder een heffing van algemene bestedingsbelasting ter zake van invoer is de binnenlandse belaste voortbrenging van goederen door lokale ondernemers altijd in het nadeel ten opzichte van onbelast ingevoerde goederen. Gesteld kan worden dat algemene bestedingsbelasting ter zake van invoer voor de BES eilanden geen extra heffing veroorzaakt aangezien deze veelal in de plaats komt van de cumulerende OB en BBO in de (eventuele) latere schakels.  
 
Het tarief
Het tarief van de algemene bestedingsbelasting in het binnenland (voor de verrichten van diensten en de lokale productie van goederen) en voor de heffing ter zake van invoer is – zoals eerder opgemerkt – gesteld op 8 percent; voor de Bovenwindse eilanden vooralsnog op 6 percent. Dit is te zien als een algemeen tarief. Wel is voorts om meer technische redenen voorzien in een zogenoemd nihil-tarief en in een afwijkend tarief voor verzekeringen. 
 
Voor personenauto’s gelden bijzondere tariefbepalingen. Voor zogenoemde zeer zuinige personenauto’s zal een nihiltarief van toepassing worden. Anderzijds wordt een bijzonder (verhoogd) tarief geïntroduceerd van 25% voor de overige, niet als zeer zuinig te kwalificeren personenauto’s. Dit tarief is beduidend hoger dan het algemene tarief van 8 percent c.q. 6%. Daarbij wordt wel aangetekend dat de vrij hoge tarieven van de invoerrechten op Bonaire op auto’s, zoals wordt voorgesteld in het wetsvoorstel Douane en Accijnswet BES, op nihil zijn gesteld en dat de cumulerende OB en de BBO zijn komen te vervallen. Anderzijds is in het kader van vergroening (of ‘de vervuiler betaalt’) een objectief aangrijpingspunt noodzakelijk zodat een prikkel uitgaat voor de aanschaf c.q. invoer van zeer zuinige auto’s. Daarbij is overeenkomstig een instrument in bij voorbeeld de Wet op de belasting van personenauto’s en motorrijwielen (hierna: BPM) gekozen voor 
een differentiatie naar CO2-uitstoot.  
Vanwege de afwijkende “startpositie” van de eilanden – op de Bovenwindse eilanden worden geen invoerrechten geheven – is daarom ter zake ook voorzien in een differentiatie van de accijnstarieven voor benzine. 

 

Overdrachtsbelasting

De bestaande overdrachtsbelasting blijft bestaan maar wordt gemoderniseerd: in de BES eilanden gelegen onroerende zaak of geregistreerd schip wordt met een vast percentage belast.
Tarief: 5% van de economische waarde

Loonbelasting BES

Uitgangspunt voor de nieuwe Loonbelasting wetgeving is de huidige Landsverordening op de Loonbelasting 1976. Deze wordt omgedoopt tot Wet loonbelasting BES en wordt vervolgens gewijzigd als volgt:

 

Artikel 6.4b van

Aanpassing van wetten in verband met de nieuwe staatsrechtelijke positie van Bonaire, Sint Eustatius en Saba als openbaar lichaam binnen Nederland (Aanpassingswet openbare lichamen Bonaire, Sint Eustatius en Saba) Bijgewerkt t/m nr. 7 (NvW d.d. 13 oktober 2009) 

 

De Wet loonbelasting BES wordt gewijzigd als volgt:

A

In de artikelen van deze wet wordt:

 

1. ‘binnen de Nederlandse Antillen” telkens vervangen door: op de BES eilanden.

 

2. “de Minister van Financiën”, “de Minister” en “De Minister” telkens vervangen door: Onze Minister.

 

3. “artikel 1 van de Landsverordening op de Winstbelasting 1940” telkens vervangen door: artikel 1.3, onderdeel c, van de Belastingwet BES.

 

4. “landsbesluit, houdende algemene maatregelen” telkens vervangen door: algemene maatregel van bestuur.

 

5. “Landsverordening Ongevallenverzekering” telkens vervangen door: Wet ongevallenverzekering BES.

 

6. “Landsverordening Ziekteverzekering” telkens vervangen door: Wet ziekteverzekering BES.

 

B

Artikel A komt te luiden:

Artikel A

De hoofdstukken I en VIII van de Belastingwet BES zijn van overeenkomstige toepassing op deze wet en de daarop berustende bepalingen.

C

Artikel 2 wordt gewijzigd als volgt:

 

1. In het tweede lid, onderdeel b, wordt “Nederlands-Antilliaans publiekrechtelijk rechtspersoon” vervangen door: publiekrechtelijk rechtspersoon naar het recht van de BES eilanden.

 

2. In het tweede lid, onderdeel c, wordt “buiten de Nederlandse Antillen” vervangen door: niet op de BES eilanden.

 

3. In het vierde lid wordt “landsbesluit” vervangen door: algemene maatregel van bestuur.

 

4. Het vijfde lid vervalt.

D

In artikel 3, derde lid, wordt “openbare rechtspersoon het Land de Nederlandse Antillen of één van de Eilandgebieden” vervangen door: het Rijk, Bonaire, Sint Eustatius of Saba.

E

In artikel 4 vervalt het vijfde lid, onder vernummering van het zesde en zevende lid tot vijfde en zesde lid.

F

In artikel 5 wordt “zuiver voljaarloon” vervangen door: zuiver voljaarsloon.

G

Artikel 6 wordt gewijzigd als volgt:

 

1. In het eerste lid vervalt de tweede volzin.

 

2. In het derde lid, onderdeel c, wordt “Landsverordening Algemene Ouderdomsverzekering” vervangen door “Wet algemene ouderdomsverzekering BES” en “Landsverordening Algemene Weduwen- en wezenverzekering” vervangen door “Wet algemene weduwen- en wezenverzekering BES”.

 

3. In het derde lid, onderdeel d, wordt “pensioen-fondsen” vervangen door: pensioenfondsen.

 

4. In het derde lid, onderdeel f, onder 1º, wordt “Landsverordening op de inkomstenbelasting 1943” vervangen door: Wet inkomstenbelasting BES.

 

5. In het derde lid, onderdeel f, onder 2º, wordt “genoemde landsverordening” vervangen door: Wet inkomstenbelasting BES.

H

In artikel 6A, eerste lid, onderdeel b, vervalt “voor de heffing van de winstbelasting”.

I

Artikel 6B wordt gewijzigd als volgt:

 

1. In het eerste lid, onderdeel c, wordt ‘in de Nederlandse Antillen” vervangen door: op de BES eilanden.

 

2. In het derde lid wordt na “Aruba” ingevoegd: , Curaçao, Sint Maarten.

J

Artikel 6C wordt gewijzigd als volgt:

 

1. In het tweede lid wordt “omzetbelasting en de invoerheffingen” vervangen door: algemene bestedingsbelasting en invoerrechten.

 

2. Onder vernummering van het vierde en vijfde lid tot vijfde en zesde lid, wordt na het derde lid een lid ingevoegd, luidende:

4. Voor de toepassing van dit artikel wordt met betrekking tot personenauto’s die voorafgaand aan de inwerkingtreding van de Belastingwet BES in het kentekenregister zijn geregistreerd onder algemene bestedingsbelasting mede verstaan: omzetbelasting en invoerheffingen.

K

Artikel 7 wordt gewijzigd als volgt:

 

1. In het eerste lid, onderdeel d, wordt “guincena-loners” vervangen door: twee weken (quincena)-loners.

 

2. In het derde lid wordt “landsverordening” vervangen door: wet.

3. In het vierde lid, onderdeel a, wordt “f. 500” vervangen door: USD 280

4. In het vierde lid, onderdeel a, vervalt “- met de bijdragen van een werknemer in de verschuldigde premies ingevolge de Wet Algemene ouderdomsverzekering BES en de Wet Algemene weduwe- en wezenverzekering BES”.

 

5. In het vierde lid, onderdeel a, wordt “f. 840,--” vervangen door “USD 470”, “- premies” vervangen door: “- met premies” en “de Regeling tegemoetkoming ziektekosten overheidsgepensioneerden (P.B. 1975, no. 249)” vervangen door “de Wet tegemoetkoming ziektekosten overheidsgepensioneerden BES”.

 

6. In het vierde lid, onderdeel b, wordt “f. 500” vervangen door: USD 280.

L

Artikel 8 wordt gewijzigd als volgt:

 

1. Het eerste lid komt te luiden:

1. Het bedrag van de verschuldigde belasting over een loontijdvak van een jaar wordt bepaald overeenkomstig de artikelen 24 en 24A van de Wet inkomstenbelasting BES, met dien verstande dat geen vermindering plaatsvindt met het zuivere bedrag van de voordelen, bedoeld in artikel 11, eerste lid, onder 3°, en met de opbrengst, bedoeld in artikel 17, eerste lid, aanhef en onderdelen e en f, van die wet. 

 

2. In het tweede lid wordt “de basiskorting, kindertoeslag, alleenverdienertoeslag en de ouderentoeslag” vervangen door: de belastingvrije som en de kindertoeslag.

 

3. In het derde lid wordt “landsverordening” vervangen door “wet” en wordt “derde” vervangen door: vierde.

 

4. In het vierde lid wordt “duizend gulden” vervangen door: duizend dollar.

 

5. Het vijfde lid vervalt, onder vernummering van het zesde en zevende lid tot vijfde en zesde lid.

 

6. In het vijfde lid (nieuw) wordt “derde” vervangen door: vierde.

M

In artikel 9, eerste lid, wordt “43%” vervangen door: 30,4%.

N

Na artikel 9 wordt een artikel ingevoegd, luidende:

Artikel 9a

Ten aanzien van de werknemer die arbeid verricht ten behoeve van een lichaam waarin hij een aanmerkelijk belang heeft als bedoeld in artikel 11, derde lid, van de Wet inkomstenbelasting BES, wordt het in een kalenderjaar genoten loon ten minste gesteld op USD 20.000 dan wel, indien aannemelijk is dat ter zake van soortgelijke dienstbetrekkingen waarbij een aanmerkelijk belang geen rol speelt, in het economische verkeer een lager loon gebruikelijk is, gesteld op dat lagere loon.

O

Artikel 11 vervalt.

P

Artikel 19 wordt gewijzigd als volgt:

 

1. In het eerste lid wordt “inhoudingsplichige” vervangen door: inhoudingsplichtige.

 

2. Het derde lid vervalt.

Q

De artikelen 21 tot en met 21d vervallen.

R

Artikel 22 komt te luiden:

Artikel 22

Bij ministeriële regeling kunnen nadere regels ter uitvoering van deze wet worden vastgesteld.

S

Artikel 36 komt te luiden:

Artikel 36

Deze wet wordt aangehaald als: Wet loonbelasting BES.

T

Artikel 37 vervalt.